Pronkjuweel

Vereniging voor aquaria en meer

Het Peter Bus archief

 

Vissennieuws

Plantenvaria

Overige

Het Peter Bus archief

Deze 160 artikelen mogen gebruikt worden, mits “Peter Bus, AV Pronkjuweel” vermeld wordt.

Het natuurlijk leefgebied van de aquariumvissen

Peter Bus, AV Pronkjuweel

Aquariumvissen komen in het algemeen van alle vijf continenten van onze aarde. De meeste zijn afkomstig uit tropische wateren, die echter, ondanks de nabijheid van de evenaar, zeer verschillende levensomstandigheden opleveren.
In de eerste plaats ligt dat aan de bodemgestelheid waarover de rivieren hun loop nemen; is die rijk aan mineralen, dan wordt het water harder, is die arm aan mineralen, dan blijft het water zachter.

Nematobrycon palmeri

Meestal bevindt de oorsprong van de rivieren zich in de bergen. Hun ontstaan is te danken aan het water dat eens uit de hemel gevallen is, hetzij in de vorm van sneeuw of regen. Dit water ontstond door verdamping. Verdampt water is zacht, omdat daarin oorspronkelijk opgeloste mineralen niet meeverdampen maar op de aarde achterbleven. Dus is bijna al het water, tenzij het gevoed wordt door een diepe bron, van oorsprong zacht.

Het grootste waterreservaat ter wereld, het Amazône bekken in Zuid-Amerika, betrekt zijn toevloed van het omringende hoogland: het hoogland van Gyana in het noorden, de lange Cordilerasketen in het westen en het hoogland van de Mato-Grosso in het zuiden. Omdat het land waardoor al deze stromen vloeien, zeer arm aan mineralen is, staan de wateren uit het Amazônegrbied bekend als zachtste ter wereld. De daarin levende vissen zijn aan deze waterkwaliteit gebonden.

Juist het tegendeel daarvan vindt men in de Afrikaanse siervisgebieden. Hier is eigenlijk alleen het reusachtige Congobekken een uitzondering, maar het aantal uit dit gebied ingevoerde vissen is bij lange na niet zo groot als uit het Amazônebekken. Alle Afrikaanse vanggebieden hebben een verschillende waterhardheid. De vanggebieden aan de westkust bevinden zich gedeeltelijk dicht bij de kust waar het mineraalrijke zeewater regelmatig tot ver in het stroomgebied opdringt.
Een ander pas in de laatste tien jaren bekend geworden vanggebied voor aquariumvissen is het Afrikaanse bekken met zijn veelvoud van meren, die uitsluitend basiswater bevatten. In dit leefgebied horen de veelkleurige Cichliden thuis, die zich daar in een eeuwenoude evolutie verspreid hebben en in de loop der tijden iedere ruimte hebben bezet. Zo komt het bijvoorbeeld voor, dat in de Natronmeren in Kenia en Tanzania ondanks het bijzonder hoge mineraalgehalte en bij temperaturen van meer dan 40 graden Celsius, vissen leven en zich voortplanten (Tilapia grahami in het Magadimeer). Zo ziet men dat vissen taai zijn en zich ook aan vijandige levensomstandigheden kunnen aanpassen. Dat gebeurt echter niet van vandaag op morgen en juist het ingewikkelde verloop van de voortplanting heeft een lange tijd nodig tot een gewenning van het ene naar het andere uiterste is bereikt. Zolang, dat een mensenleven daarmee vergeleken, slechts een ogenblik is.

Natuurlijk spelen in het leven van onze vissen niet alleen de waterhardheid en de opgeloste zuren of basen een rol. Vissen hebben meer nodig. Ze kunnen niet zonder een passende leefruimte waarvan het water maar één onderdeel is.

Niet alle delen van een rivier, beek, meer of moerasgebied zijn gelijk. Sommige beddingen zijn zandig, andere weer rotsachtig. Sommige wateren stromen zelfs snel met stroomversnellingen, andere vloeien traag of staan stil. Al deze gebieden hebben eigen biotopen (leefruimten), waarin de daarvoor typische vissoorten zich thuis voelen. Deze moesten zich qua vorm, voeding, ademhaling, voortplanting en gedrag aan de biotoop aanpassen.

Zo ontwikkelden ze zich in langdurige biologische processen. Vreedzame- en roofvissen, snelle zwemmers en bodemscharrelaarsm edelen en vechtersbazen.

Al die soorten willen we in een aquarium houden, daarbij moet men goed overleggen welke soorten bij elkaar passen en welke men onder voorwaarde bij elkaar mag zetten.