Pronkjuweel

Vereniging voor aquaria en meer

Het Peter Bus archief

 

Vissennieuws

Plantenvaria

Overige

Het Peter Bus archief

Deze 160 artikelen mogen gebruikt worden, mits “Peter Bus, AV Pronkjuweel” vermeld wordt.

Feminisme in de vissenwereld

Peter Bus, AV Pronkjuweel

De voorouders van de in Midden-Amerika voorkomende Amazône Molly’s (Poecilia formosa) zaten met een probleem. Deze ongeveer 10 cm lange tandkarpers, verwant aan de Guppen en Zwaarddragers, brachten levende jongen ter wereld.

Poecilia formosa

Maar door kannibalistische vraatzucht van de mannetjes, kwam van het broed niets terecht. De soort dreigde aan zichzelf ten onder te gaan.

De natuur heeft echter een standaardrecept om uit dergelijke moeilijkheden te geraken: een ongunstige factor wordt eenvoudig geëlimineerd, uitgeschakeld.
Maar hoe kunnen alle mannetjes van een soort geëlimineerd worden, zonder dat de soort zelf in gevaar komt?

Dat dit inderdaad mogelijk is, heeft de Amazône Molly duidelijk bewezen.

Voortplanting vindt bij gewervelde dieren doorgaans volgens een vast schema plaats. Een eicel komt tot ontwikkeling, nadat de bevruchting, wat wil zeggen samensmelting met een mannelijke zaadcel, tot stand is gekomen.

Lange tijd heeft men dan ook gedacht dat er wel degelijk mannelijke Amazône Molly’s waren, die als volleerde stamboekstieren voor de bevruchting van duizenden vrouwtjes zorgden. En men hoopte door nauwgezet speurwerk ooit eens zo’n mannetje te vinden. Maar alle moeite was te vergeefs. Er werd geen mannetje gevonden, zelfs geen miniscuul kleintje.
Tenslotte kon men aantonen dat mannelijke Amazône Molly’s gewoon niet bestaan.

Desondanks komen de eitjes tot ontwikkeling. Dat komt doordat de vrouwtjes op gezette tijden hun afkeer van het andere geslacht verliezen en mannetjes van een verwante, in de buurt levende soorten als echtgenoten accepteren.
Mannetjes van de Poecilia latipinna. Deze soort fungeert onder andere als pseudo-mannetjes voor de Amazône Molly. Van een echte bevruchting is geen sprake. De andersoortige zaadsel fungeert slechts als een prikkel om de ontwikkeling vaan de eicel te stimuleren. Na het volbrengen van zijn taak, gaat de mannelijke celkern met zijn erfelijke factoren te gronde zonder dat er een samensmelting met de dragers van de vrouwelijke factoren heeft plaatsgevonden.

Met andere woorden: de eicel is in wezen onbevrucht gebleven.
De nakomelingen zijn allemaal vrouwtjes, exacte kopieën van de moeder, met precies de zelfde erfelijke eigenschappen. Van geslacht op geslacht treden geen veranderingen in lichaamsbouw, karakter of gedrag op.

Bij deze dieren is de evolutie gewoon tot stilstand gekomen.