Pronkjuweel

Vereniging voor aquaria en meer

Het Peter Bus archief

 

Vissennieuws

Plantenvaria

Overige

Het Peter Bus archief

Deze 160 artikelen mogen gebruikt worden, mits “Peter Bus, AV Pronkjuweel” vermeld wordt.

Discusvissen, de koningen van het aquarium

Peter Bus, AV Pronkjuweel

Ze zijn een felbegeerd bezit voor kenners, maar zijn niet zo gemakkelijk te houden.
Als koningen zweven ze door het aquarium. In Amerika, hun land van herkomst, worden ze dan ook “Kings” genoemd.

Discusvis

Ze behorden tot de familie der Cichliden. Het is in feite een klasse apart.

Discusvissen hebben een schijfvormig lijf, vandaar hun naam. Ze zijn nog niet zo lang ontdekt, nog geen 70 jaar geleden. In 1933 verschenen ze voor het eerst in de bakken van zeer deskundige superaquarianen uit Amerika en meteen werden ze populair. Ze hadden alles mee: ze waren schitterend van vorm en kleur, ze waren zeldzaam, ze stelden nogal wat eisen en waren een sportieve uitdaging en ze leidden een heel boeiend leven.

Toen de eerste Discusvissen verschenen, werden ze toegejuicht als echte waterkoningen, die speciaal voor de liefhebber uit het woeste onbekende gebied van de Amazône hier naar toe waren geëmigreerd.
Tegenwoordig, nu de aquariumsport enorm vooruit is gegaan en bijna iedereen met geduld een goede bak, een paak vakboeken en veel liefde de moeilijkste vissoorten kan kweken, is de Discusvis veel populairder geworden. En toch blijft hij iets bijzonders.

Er zijn flink wat soorten, maar stuk voor stuk zijn het prachtige, tamelijk forse vissen.
De echte Discusvis, die deftig Symphysodon discus heet, is een zwemmende regenboog van ongeveer 20 centimeter. Hij is kolossaal rijk aan kleuren, telkens anders, met grondtinten van oranje tot roestbruin en ook wel blauwgroen. Hij is een golvende schoonheid , die meteen de aandacht trekt.
Dan is er de kleinere, zeldzamere groene Discusvis met donkergekleurde banden.
Een fraaie soort is de blauwe Discusvis, met fantastische banden op het middenlijf. Hij is alweer kleiner, ongeveer 12 centimeter, maar vanwege zijn banden is hij heel geliefd.
Ook wel populair is de bruine Discusvis.

Al deze vissen hebben een interessant sex- en voedselleven. Als ze jong zijn is het practisch ondoenlijk om hun geslacht te bepalen. Pas als ze groter worden, gaan de mannelijke vissen zich onderscheiden van de wijfjes.

Ze zijn niet alleen mooi, maar ook kieskeurig. In vies en hard water gaan ze dood. Ze zijn gevoelig voor infectieziekten en ze vragen om een behoorlijk grote bak, minstens 120 x 50 x 50 cm. Ze houden van warm water en van kleine beetjes goed uitgezocht voedsel. Schrokken doen ze niet. Ze hebben vergeleken met andere Cichliden een nogal kleine bek. Ze houden van vlees: wormen, muggelarven, watervlooien, microaaltjes, levende pekelkreeftjes en zelfs rauw runderhart.

De beste kweektijd is tussen october en april. Als een mannetje zijn wijfje gaat versieren, doet hij dat heel secuur. Veel pronken is er niet bij, maar de grote schoonmaak is zeer belangrijk. Het mannetje maakt alles in de omgeving keurig schoon en vervolgens worden de eitjes afgezet, altijd in een vertikaal vlak: en hangend blad, de voorruit, een stam, een steen, als het maar vertikaal is.

Dan komt, dikwijls ten minste, de eerste teleurstelling. De ouders vreten het eerste broedsel op. Vooral de beginner kan zich hierdoor laten ontmoedigen.
De eitjes komen op de vierde dag uit. De eerst week zijn de ouders, zoals het uiterst burgelijk keurige ouders betaamt, vreselijk druk in de weer met schoonmaken, water wapperen en het verzorgen van de jongen. Ze zijn gauw van streek en worden zenuwachtig. En als een Discusvis zenuwachtig wordt, wordt hij vaak een kannibaal: hij dood en eet zijn eigen jongen.

Pas als de jongen helemaal zelfstandig kunnen zwemmen, krijgen de ouders een beetje rust. En dan gebeurt één van die vreemde dingen, waardoor de natuur zo facinerend blijft: het voeden van de kleintjes. Discusvissen hebben daar een unieke manier voor. Ze laten zich door de jongen gebruiken als tafel. Gedurende ongeveer 30 dagen eten de kleine visjes van de lichamen van hun ouders. Ze zijn nog piepklein, vele malen kleiner dan vader en moeder, maar ze schransen van de huid van pa en moe en groeien snel. De ouders blijven ondertussen grote hoeveelheden voedsel produceren. Dit gaat zo: ze eten vlees (ook wel andere zaken) en verwerken dat in hun lichaam. Daarna wordt het uitgescheiden door de schubben. Tussen die schubben zit het voer voor de kleintjes. Dit gaat non-stop door. Zodra één van de ouders “op” is, laat die de kleintjes meteen in de steek om nieuw voedsel op te eten en te bewerken. De jonkies storten zich op de andere ouder, pa of ma, en gaan die leegschrapen.

Pas als de jongen een week kunnen zwemmen, talen ze naar ander voedsel. Vooral vers uitgekomen levende pekelkreeftjes wordne met graagte verslonden. Tegekijk beginnen de ouders met minder voedsel aan te maken. Als de jongen ongeveer een maand kunnen zwemmen, houdt de productie zelfs op.
Meestal verhuizen de ouders dan naar een andere bak. De kleintjes, die niet meer zo klein zijn, zijn intussen overgestapt op echt “grote vissen” voedsel: vlooien, aaltjes, wormen en ze zijn letterlijk stapel op gehakte regenwormen.

Als de ouders weg zijn, krijgen de jongen de ruimte. Langzaam zoeken de mannetjes de wijfjes op, en omgekeerd, en bereiden ze zich voor om op hun beurt de levenscyclus te vervolgen. Naarmate ze groeien, ontwikkelen ze hun kleurenpracht.

In de paar- en broedtijd verdragen de Discusvissen niet zo best andere vissoorten: dus die moeten ook maar tijdelijk ander onderdak. Dat betekend dat een serieuze discuskweker minstens 3 bakken heeft, met zeer goed, mineraal arm, zacht en zuur water.

Discusvissen zijn zeer gevoelig voor temperatuurwisselingen, verstoringen in de regelmaat, nerveuze kwekers en allerlei andere dingen, die hun ritme bedreigen. Ze houden van beschuttingen. Flinke rotsen in het aquarium vinden ze heerlijk, liefst van leisteen, kalk is taboe. Planten met grotre bladeren, maar ook ordinair eendekroos vinden ze plezierig. Fel licht vinden ze afschuwelijk. Tenslotte zijn ze ontstaan in de broeiende schemer van het Amazône gebied.

Ze zijn ook preuts. In de paartijd houden ze van een afgeschermd hoekje. Ze stellen hun liefdesleven niet graag bloot aan Jan en Alleman. Ze zijn goed trouw, zoals de meeste Cichliden. Ze sluiten een huwelijk voor het leven. Maar ze zijn ook realistisch, want als de partener sterft, troost de andere zich met een nieuwe levensmaat.
Ze zijn lief voor elkaar en niet vechtlustig.

Ze blijven lang mooi met hun planeetachtige wonderbaarlijk gekleurde vormen en strepen, deze ronde koningen.