Pronkjuweel

Vereniging voor aquaria en meer

Het Peter Bus archief

 

Vissennieuws

Plantenvaria

Overige

Het Peter Bus archief

Deze 160 artikelen mogen gebruikt worden, mits “Peter Bus, AV Pronkjuweel” vermeld wordt.

Vissennieuws - Dermogenys pusillus

Peter Bus, AV Pronkjuweel

Een aquariumvisje, welke geregeld wordt aangeboden in de handel. Toch komt men dit visje niet vaak bij een aquariaan tegen, hetgeen waarschijnlijk komt door de toch wel speciale aandacht (voedsel) die dit visje nodig heeft.
Elke keer ben ik weer geboeid door zijn bijzondere lichaamsbouw en ging zodoende de in mijn bezit zijnde literatuur eens nasnuffelen.

Dermogenys pusillus

Vindplaats:

De zuidelijke Filippijnen, Borneo, Java, Sumatra, Malakka, Burma en Thailand. In allerlei zoete wateren en meerdere honderden kilometers landinwaarts, doch ook in matig brakke kustwateren; niet in zout water. Sedert 1905 van tijd tot tijd ingevoerd. Ook thans wordt nog steeds een beperkt aantal exemplaren, voor het merendeel wijfjes uit Singapore meegebracht.

Uiterlijk:

De lengte van het visje is maximaal 80 mm. De mannetjes blijven iets kleiner en zijn ook slanker dan de wijfjes.
Zoals naderhand zal blijken hebben we bij de ingevoerde vissen die onder bovenstaande naam werden ingevoerd, met een soort te doen die echter in talrijke ondersoorten, de zogenaamde geografische rassen, uiteenvalt. Vooral in kleur en tekening komt dit zeer sterk tot uitdrukking. De vormen die in liefhebberskringen vóór 1940 bekend zijn geworden, hadden of een bruinachtige of een blauwgroene grondkleur. De gedurende 1949 in Nederland ingevoerde exemplaren zijn meer zilverachtig. Deze laatste vorm zullen we hier nader beschrijven.
Over de gehele zilverachtig tot licht blauwgroene, en afhankelijk van de belichting soms sterk glanzende, lichaamslengte loopt een donkere streep tot aan de staartwortel. De basis van de borstvinnen is eveneens donker gekleurd. Onder de snavelvormige onderkaak loopt een zeer donkere tot zwarte streep tot aan de top van de snavel, bij mooie mannelijke exemplaren met en rode lijn afgezet. De basis van rug en aarsvin zijn (vooral bij het mannetje) oranjerood, meer naar buiten toe in geelachtig overgaand.

In een aquarium kunnen we zodra de dieren, die aanvankelijk wat schuw zijn, zich hebben aangepast aan de omgeving, veel plezier aan deze vissen beleven. Nemen we de moeite om van tijd tot tijd eens wat muggen of kleinere vliegen (o.a. fruitvliegen) onder de kap van het aquarium los te laten, dan komen ze eerst goed in hun element.
Ze nemen echter ook graag het gewone levend voer, zoals tubifex, enchytree├źn, muggenlarven, watervlooien en allerlei andere voedseldieren. Het is wel gewenst ze in een niet al te hoge bak (maximaal 40 cm.) onder te brengen, aangezien ze zelden dieper dan 25 cm. onder de oppervlakte afdalen om hun voedsel te bemachtigen.
Indien het aquarium niet van tijd tot tijd een weinig zon krijgt, is het noodzakelijk om deze visjes kleine porties zachte algen toe te dienen om ze in conditie te houden. De temperatuur houden we ongeveer 25 28 °C, doch deze kan 's nachts tot ca. 20 °C dalen zonder dat de vissen er nadelige gevolgen van ondervinden.

Voortplanting:

De voortplanting is even interessant als het visje zelf. Het liefdesspel verloopt doorgaans vrij rustig, maar kan ook tamelijk heftig plaatsvinden. Vooral indien we meerdere paartjes bijeen in het aquarium hebben, hetgeen nooit een bezwaar is en feitelijk aan te bevelen, omdat het paringsspel dan nog belangwekkender wordt. Door het wijfje met de “snavel” tegen de geslachtsopening te stoten, tracht het mannetje haar te prikkelen het uit te stoten sperma op te nemen. Blijft ze dan bij hem zwemmen, dan brengt het mannetje de typisch gevormde aarsvin (waarvan de voorste 8 stralen sterk achterwaarts gericht zijn) enigszins rond de geslachtsopening van het wijfje, waarop de overdracht van sperma plaats heeft. Dit sperma wordt door het wijfje voor een deel in de ovariumwand opgeslagen deels voor de bevruchting van een aantal eitjes benut. Na 3 tot 5 weken (bij lagere temperatuur duurt het veel langer) worden de eerste jongen geboren. Afhankelijk van verschillende factoren (ouderdom wijfje, temperatuur en voedsel) worden per keer maximaal 30 jongen geworpen, doch heel normaal zijn worpen van 5 tot 12 stuks. Reeds een maand later, zonder dat een hernieuwde bevruchting door het mannetje heeft plaatsgevonden, wordt wederom een aantal jongen geboren. We kunnen dus terecht van productief spreken. De jongen zijn bij de geboorte ca. 10 mm. lang en eten direct kleine voedseldieren. Het thans algemeen “micro” wordt door ouder en jongen graag gegeten.

Is het aquarium waarin de vissen zijn ondergebracht voldoende ruim, waarbij in hoofdzaak de oppervlakte een rol speelt, dan groeien bij ruime voedering de jongen snel op en zijn aan de zich vervormende aarsvin reeds na twee maanden de mannetjes te herkennen. Importexemplaren van Dermogenys pusillus zijn, zoals ook vele andere aquariumvissen, zeer schrikachtig, hetgeen bij deze soort kan leiden tot beschadiging en zelfs afbreken van de onderkaak. Hoewel regeneratie van deze kaak gewoonlijk na verloop van tijd plaats heeft herstelt zij zich nooit meer in de oude vorm. Het verdient aanbeveling de randen van het aquarium, vooral aan de oppervlakte, dicht van planten te voorzien en met name de zijde waardoor eventueel licht valt, te laten bealgen of af te schermen. Het toevoegen van zeewater of keukenzout aan het aquariumwater, zoals wel eens wordt aanbevolen, beschouwen we als niet gewenst. Eerder brengt men de dieren tot rust door regelmatig muggen op het water te werpen en ze zoveel mogelijk rust te geven (niet al te veel licht) in de eerste maanden

Het werpen van niet levensvatbare jongen, zoals ook bij tandkarpers wel voorkomt, is doorgaans het gevolg van ondoelmatige voeding en een te lage temperatuur.

Hoewel de snavelbekjes flinke insecten of andere voedseldieren kunnen verorberen, vergrijpen ze zich niet aan hun jongen of aan die van andere vissen, indien deze een lengte van meer dan 10 mm. hebben bereikt. Uiteraard alleen indien ze voldoende en juist gevoerd worden. Het halfsnavelbekje is weer één van die aquariumvisjes, waarvan nog zo weinig bekend is. Dit is niet alleen het gevolg van de geringe aanvoer, want ze planten zich zonder moeite ruim voort, maar vooral doordat nog vele liefhebbers meer naar kleurenpracht kijken dan naar iets werkelijk interessants en wonderlijks.