Pronkjuweel

Vereniging voor aquaria en meer

Het Peter Bus archief

 

Vissennieuws

Plantenvaria

Overige

Het Peter Bus archief

Deze 160 artikelen mogen gebruikt worden, mits “Peter Bus, AV Pronkjuweel” vermeld wordt.

Vissennieuws - De Maanvis

Peter Bus, AV Pronkjuweel

Ja beste Discusliefhebber, de Discus is dan wel de keizer van het Amazonegebied maar wat is een keizer zonder onderdanen? In deze rubriek worden in de loop van de tijd wat vissen voorgesteld welke zich prima op hun gemak voelen bij de Discusvis en van nature in dezelfde wateren voorkomen

Maanvis

Ditmaal eens een verhaal over een opvallende onderdaan, de Maanvis. Omdat de maanvis al zo lang in onze aquaria te vinden is kijkt men er vaak een beetje minachtend op neer. Hij is te gewoon voor de meeste aquarium liefhebbers. Toch is het een prachtige vis. Twee soorten, de scalare en de eimekei welke veel op elkaar lijken hebben een jarenlange discussie ontketend (welke zijn eind nog steeds niet heeft gevonden). De vraag is of de eimekei nu wel een echte soort is of een variant van de scalare. In het april nummer van DCG (Deutsche Cichliden Gesellschaft) wordt hier ook weer een heel verhaal aan geweid.

In ieder geval zwom mijn (Leo) eerste maanvis al in 1955 in mijn aquarium! Nou ja, aquarium? Het was een mandfles van bijna kleurloos glas. Deze was door mijn vader op de kop getikt bij een naastgelegen fabriek waar men met zoutzuur werkte. Vroeger zat dat in zogenaamde mandflessen. Het voordeel was dat “de bak” geen frame had. Het nadeel was dat de toegang bestond uit een nauwe hals waardoor de vissen en planten naar binnen moesten. Dit gaf overigens minder problemen dan naar buiten, immers een schepnet paste niet door de hals. Ook het beplanten vereiste een bovennormale vaardigheid. Algen van het glas verwijderen was een huzarenstukje vanwege de sterk gebogen vorm van het glas en natuurlijk de nauwe hals.

Vanwege het feit dat het glas bol was en niet overal even dik was er sprake van een optisch bedrog: dan weer waren de vissen kort en dik en na een stukje gezwommen te hebben opeens lang en dun. Het vereiste dan ook een langdurige observatie om tot een gemiddeld beeld te komen. In deze bak zwom dus ook de maanvis en net toen deze een probleemgeval zou gaan worden in verband met zijn afmetingen (in dit verband is het woord “bottleneck” wel zeer toepasselijk) gebeurde er iets vreselijks. Vermoedelijk veroorzaakt door een trilling van een vrachtwagen bezweek de fles op een onbewaakt ogenblik en de levende have was niet langer de levende have. Vanwege een bedorven Perzisch achtig tapijtje en nog wat onderliggende kleedjes werd een eventueel vervolg van mijn hobby uitgesteld naar een punt in de toekomst. We springen dus naar 1975. Inmiddels is er een prachtig product op de markt genaamd siliconenkit. Hiermede was het mogelijk iedere gewenste maat bak te plakken zonder het storende hoeklijn. Voor de kweek van de maanvissen maakte ik een klein houten stellinkje met 4 bakjes van 30x20x20 cm, 12 liter dus. Hierin een Tetra Brillant filtertje op lucht, een bruissteentje en een 25 watt verwarming. Dit beviel zo goed dat ik het thans nog steeds op deze wijze doe met dien verstande dat de opfokbakjes voor de Discusvissen ongeveer 25 liter inhoud hebben. Het voordeel van deze kleine bakjes is dat de vissen werkelijk in het voer “staan” en door het schuimpatroontje kunnen er geen vissen in het filter terecht komen. De hele dag door eten de visjes het voer dat op het patroontje is terecht gekomen. Wel dient zo’n klein bakje iedere dag voor de helft ververst te worden met water dat al een dag belucht is en op de goede temperatuur is gebracht. Het schuimpatroontje moet goed worden uitgespoeld, bij voorkeur in het zojuist afgehevelde water. Op deze wijze blijft het bacterie leven in stand en zal het filtertje voor glashelder water zorgen. Als de vissen hebben afgezet dan plaats ik het schuimfiltertje alvast in de bioloog van het desbetreffende systeem. Het filtertje raakt op deze wijze bezet met bacteriën en de visjes worden als de tijd rijp is met hun eigen water en het schuimfiltertje in een klein bakje gedaan. Het water waarmee wordt ververst maak ik steeds iets harder dan het water waarin de jonge visjes zitten. Na een week wordt er uiteindelijk ververst met gewoon leidingwater (dat in Assendelft een geleidbaarheid heeft van ongeveer 600 microsiemens).

In tegenstelling tot de Discusvis is de maanvis gemakkelijk kunstmatig groot te krijgen. Na het afzetten kan de kegel of het blad worden verwijderd en in een apart bakje worden geplaatst. Een uitstromer zorgt voor voldoende waterbeweging langs de eieren. Na twee tot drie dagen komen deze uit en de larfjes welke het contact met het afzetsubstraat hebben verloren komen hier ook niet meer op terug. Er zijn immers geen ouders om te helpen! De larfjes liggen nu her en der verspreid over de bodem meestal op hun kant zodat de meeste mensen denken dat het een verloren zaak is. Het tegendeel is echter waar! Als bij toverslag zien we op de vijfde á zesde dag de larven als een wolkje of wolk rondzwemmen, het record bij mij uit één legsel is 792 visjes en dan kun je rustig van een wolk spreken. Nu moeten we de dooierzak goed in de gaten houden (het gele puntbuikje). Zodra deze is opgeteerd dienen de larfjes met artemia naupliën te worden gevoerd. Als we hiermee te lang wachten dan sterven de larfjes. Vanaf dit ogenblik is de opfok eigenlijk hetzelfde als bij de Discusvis. Na 3 á 4 weken krijgen de jongen het typische maanvismodel.

Jonge maanvissen eten mysis

Als een mens buiten zijn Discusvissen al 25 jaar maanvissen heeft en er nu in 2001 nog steeds mee kweekt dan moet het toch wel een heel bijzondere vis zijn! En dat is het ook. Hij past goed bij de Discusvis, ze komen van nature ook in dezelfde gebieden voor en ze worden in hetzelfde water gehouden en gekweekt. Van een pH van 4,5 ligt de maanvis niet wakker en ook niet van temperaturen van 30 á 32 graden. Mijn vissen hebben deze week nog afgezet in water met een microsiemenswaarde van 120. De ouders hebben hetzelfde gedrag als de Discusvis. De eieren worden ook bewaaierd en uitgekauwd. Natuurlijk worden de larven regelmatig verplaatst in het aquarium. Door de langdurige kunstmatige opfok weten een heleboel maanvisouders niet meer wat precies te doen met de jongen en eten ze dan vervolgens maar op. Als je de ouders selecteert op het broedgedrag dan krijg je op den duur toch weer het natuurlijke gedrag terug. De ouderdieren verdedigen hun kroost fel. Zelfs als je gewoon voor de bak staat maken ze al schijnaanvallen om je af te schrikken. Dit is het mooiste gedrag. Daar kan Jack Wattley met zijn kunstmatige opfok in soepborden niet tegenop! In Azië overdrijven ze het helemaal. Daar moeten de vissen om de vijf á tien dagen afzetten dat is goed voor de produktie!

Als ik het goed heb geteld (het is een beetje moeilijk te zien op dat glas) dan heeft deze vis 37 keer afgezet in één jaar tijd. Walgelijk gewoon. Het jaartal is de Aziatische jaartelling. En als ze kleintjes hebben dan zetten ze niet meer af en dat gaat dus ten koste van de produktie! Zodoende dus kegel eruit, schone kegel erin en moe kan weer aan de gang. Als de larfjes zijn uitgekomen en vrijzwemmen dan gaan ze in het soepbord met het eigeel voor de kunstmatige opfok. Ik vond Wattley overigens niet erg succesvol met zijn vissen. De meeste zijn van die vreemde driehoekige dingen met véél te grote ogen. Ze komen natuurlijk van alles te kort met dit namaak gedoe. Ze missen toch een aantal belangrijke voedingsstoffen welke zich in de slijmhuid voeding van de ouders bevinden. Nee, een cichlide hoort samen met zijn kleintjes te zijn en deze te verzorgen en te verdedigen.

Een ander verhaal is het kweken van diverse kleurvormen zoals de gouden, de rookkleurige, de bonte, de koi en de sluierstaart maanvis. Ik moet bekennen omdat de handel daarnaar vroeg ik ook een paar jaar van die misbaksels heb gekweekt. Toen ik weer eens in mijn kweekruimte stond en ik mij eigenlijk ergerde aan deze misbaksels heb ik besloten alleen nog de echte scalare te kweken. Uiteindelijk interesseert het mij geen bal waar de handel naar vraagt: het is mijn hobby en mijn kweekruimte. Met de Discusvis gaan we natuurlijk dezelfde kant op.

Na deze inleiding waarin de kweek al behandeld is wordt het nu toch wel eens tijd de diverse onderdanen voor te stellen!

Dit is wel de meest bekende vis. Een serie auteurs noemt als eerste beschrijvers CUVIER & VALENCIENNES die in 1831 de soort beschreven als Platax scalaris.

Met de opstelling van het geslacht Pterophyllum door HECKEL 1840 kwam de soort in het nu nog steeds geldige geslacht terecht. Voor het eerst echter werd de soort door LICHTENSTEIN in 1823 beschreven als Zeus scalaris. Dat was GUENTHER en REGAN kennelijk niet bekend daar ze in werk van 1862 en 1905 CUVIER & VALENCIENNES als eerste beschrijvers noemden.
In de revisie van Dr. L.P. SCHULTZ van 1967 wordt dit echter geredresseerd.

De scalare is in het Amazonegebied wijd verbreid en op grond daarvan zijn er soms per vindplaats iets afwijkende vormen te vinden.

De man van mijn koppel is zeker 20 cm hoog terwijl het vrouwtje iets kleiner is. Het is een prachtige scholenvis welke in een hoge bak gehouden moet worden. Veel hout wordt op prijs gesteld en ook planten mogen niet ontbreken. Een grote bak met een school van 15 tot 20 maanvissen is adembenemend. Nog wat zalmen erbij en wat Corydoras op de bodem en de zaak is eigenlijk compleet. De vis is een cichlide en dus een vleeseter en eet eigenlijk hetzelfde menu als de Discus. Ook droogvoer wordt graag genomen maar afwisselend diepvriesvoer is beter. Hierdoor blijven de dieren vitaler.

Het lichaam is schijfvormig en zeer sterk afgeplat zoals bij de Discus. De rug- en de aarsvin zijn bijzonder lang evenals de buikvinnen. De grondkleur is zilverachtig met af en toe een bronskleurige glans. De rug is groen − grijs en de buikzijde zilverwit. De eerste vertikale streep loopt met een boog vanaf de aanzet van de rugvin over het oog naar de keel. De tweede loopt vanaf de rugvin naar de aanzet van de aarsvin en blijft overal even breed. De derde streep loopt van het midden van de rugvin tot in de buikvin en het vierde streepje loopt door het einde van de staartwortel.

Deze lijkt sterk op de scalare maar toch zijn er enige opmerkelijke verschillen. In de eerste plaats is de vis nóg platter en nóg hoger dan de scalare. Ze kunnen wel een hoogte bereiken van 40 centimeter terwijl de lengte niet veel meer dan 15 cm bedraagt. Het verschil in grootte zit hem voornamelijk in de vinnen, het lichaam is ongeveer even groot als dat van de scalare. De bovenzijde van de kop vertoont ter hoogte van de bovenkant van het oog een scherpe binnenwaartse knik waardoor we spreken van wipneus of zadelneus. De streeptekening van de zwarte banden is identiek met de scalare maar tussen band 1 en 2 én 3 en 4 zien we een lichtere grijsachtig groene band lopen. Deze ontbreken bij de andere soorten. De vissen komen alléén voor in de bovenloop van de Orinoco rivier en dit was voor Dr. L.P. Schultz in zijn revisie van 1967 reden om aan te nemen dat de altum een aparte soort moet zijn. (L.P. SCHULTZ: Review of South American Freshwater Angelfishes − Genus Pterophyllum Proc. USNM, Vol. 120, nr 3555, 1967)

Intussen ontdekte H. AXELROD in de Rio Negro een maanvisvariant die niet alleen op grond van het aantal rugvin- en aarsvinstekels, maar ook door zijn uiterlijk als een tussenvorm kan worden beschouwd (Zie TFH, jan. 1976). De Rio Negro vissen hebben wél de zadelneus maar een geheel ander vinnenstelsel dan de altum.

Het nakweken is buitengewoon moeilijk en die ene keer dat ik eieren had bedroeg de pH ca. 4,5 en de geleidbaarheid 120 microsiemens bij een watertemperatuur van 30 graden. De vissen zaten gezellig met zijn zessen in een kweekbak met een groot stuk hout erin. Toen ik van de verenigingsavond thuiskwam zag ik het plakkaat eieren op het hout zitten. Omdat het al laat was dacht ik “dat komt morgen wel en anders zetten ze toch om de twee á drie weken af”. Nee dus: alle eieren waren weg en daarna hebben ze nooit meer afgezet. Omdat altums erg schrikachtig zijn heb ik ze uit de kweekruimte gehaald en in de showbak gedaan. Hier voelen ze zich meer op hun gemak en kunnen ze lekker tussen de planten wegduiken bij angst. Na een aantal maanden is de schrikachtigheid geheel verdwenen en komen ze nieuwsgierig naar het voorruit als ze iemand zien. Overigens hoor ik veel meer ervaringen als deze. Een goed plantenbestand doet wonderen. Het voederen geeft geen enkel probleem alhoewel ze de voorkeur lijken te hebben voor voedsel dat zweeft. Spirulina vlokken en Tetramin vlokken worden dan ook graag gegeten. Overigens was de scalare vroeger ook niet gemakkelijk te kweken maar door het domesticeren doen ze het nu bijna in alle bakken. Ooit zal het met de altum ook wel steeds beter gaan. Er wordt, al zij het op heel bescheiden schaal, mee gekweekt. Ik bedoel dan de echte altum en niet de Rio Negro wipneus. Ze eten véél bedachtzamer dan de scalare en zijn dan ook uitermate geschikt om bij Discusvissen te houden. Ik kom hier later nog op terug. Het is ook weer een scholenvis en de prijs ligt op 5 á 10 keer van die van een scalare. Ook dient de bak toch wel een waterkolom te hebben van 65 á 70 centimeter willen ze goed kunnen bewegen. Het is niet prettig om de hele dag met je vinnen over de grond te moeten slepen. Het zijn prachtige statige dieren maar ze moeten wél in zacht en zuur water worden gehouden. Dan zijn ze werkelijk een streling voor het oog!

Pterophyllum dumerilii (CASTELNAU, 1855)

Deze soort wordt vaak verward met de altum. Hij komt ook voor in de Orinoco rivier. De vis wordt ca. 15 cm. lang en ongeveer tweemaal zo hoog. De vis is gemakkelijk te onderscheiden aan de hand van de kopvorm welke spitser is dan de scalare en het meest opvallend zijn de twee korte zwarte dwarsstrepen welke zich direct achter de oogdwarsband bevinden. Deze vis wordt slechts zelden geïmporteerd

Dit is voor mij een nieuwe soort welke een kruising lijkt tussen de severem, dumerilii en scalare. Het is een wat merkwaardig lang dier (voor een maanvis) welke ik in het aprilnummer van DCG ontdekte. Ook hier zien we, net als bij de dumerilii, twee korte zwarte dwarsstrepen welke zich direkt achter de oogdwarsband bevinden. Ik weet hier verder nog weinig van maar als ik uitga van de gemiddelde smaak van de aquarianen zullen we hem wel niet vaak in de bakken tegenkomen. Althans, ik vind het geen mooie vis.

Pterophyllum eimekei (AHL, 1928)

Zoals reeds gezegd aan het begin van dit verhaal is men nog steeds aan het discussiëren over de het feit of dit nu wél of geen echte soort is of slechts een variant van de scalare. De vis ziet er uit als een kleine scalare. Daar beiden in hetzelfde water voorkomen zou het natuurlijk best een plaatselijke variant kunnen zijn. In de winkel ziet men hem niet vaak en dat komt waarschijnlijk door het feit dat als je maanvissen wilt je niet zo’n onderdeurtje wilt.

Kunnen maanvissen en discusvissen samen?

Vrijwel iedereen weet te melden dat dit niet kan vanwege een virus welke maanvissen hebben of een parasiet en anderen weten te melden dat het om een bacterie gaat. Er is een kern van waarheid, maar wel een klein kerntje: ook als we discusvissen kopen welke we bij andere discusvissen zetten kunnen de reeds aanwezige vissen worden besmet met b.v. de discuspest, darmwormen of flagellaten. Het enige verschil is dat je aan de maanvis geen ziekteverschijnselen ziet en bij discusvissen zie je dit wat gemakkelijker. Zo heb ik nog nooit een maanvis gehad met “witte poep” terwijl ze wel de flagellaten bij zich dragen en deze kunnen overdragen aan de discusvis. U zult wel schrikken als ik vertel dat in de natuur alle discusvissen flagellaten hebben en dat deze tot de normale darmflora behoren. Pas als gevolg van stress of mindere weerstand van de vis zullen deze zich snel vermeerderen en tot een plaag worden. Zodoende kun je wel stellen dat er al iets fout zit in de bak als je een dergelijke “uitbraak” hebt. Inderdaad kan een maanvis de discuspest over brengen. Aan de maanvis zie je verder niets bijzonders. Hetzelfde kan echter gebeuren met een discusvis. U moest een weten hoe vaak ik gebeld wordt met de mededeling dat ze toch echt goede discusvissen hadden gekocht en dat deze ook niets mankeren (!) maar dat de andere vissen in de bak plotseling zwaar ziek zijn en zelfs sterven. Ik vergelijk het altijd maar met het griepvirus: je kunt dat bij je dragen zonder zelf de ziekteverschijnselen te hebben of zonder zelfs ziek te worden. Toch kun je andere mensen besmetten welke wél ziek worden.

Inderdaad heeft een maanvis aanmerkelijk minder last van darmwormen dan de discusvis. Ze zien er goed uit als je ze koopt maar toch besmetten ze ongemerkt de discusvis met darmwomen. Met een kuurtje Flubenol is dit probleem gauw verholpen. In principe had de handelaar al moeten kuren natuurlijk. Dan was er niets aan de hand geweest.

Zoal ik al schreef kweek ik zelf maanvissen en deze zitten in hetzelfde watersysteem als de discusvissen en soms zitten ze ook in dezelfde bak! Ook de nakweek (en dat zijn er vaak honderden!) zwemmen in hetzelfde water als de nakweek discusvissen.

Het is dus gewoon zaak gezonde maanvissen te kopen (probeert u mijn telefoonnummer eens).

Een ander, en veel beter, argument is dat de maanvissen het voedsel voor de discusvissen wegkapen. Dit is mogelijk als er tekort wordt gevoerd maar ook als er in verhouding teveel maanvissen in de bak zitten. Zelf heb ik goede ervaringen met 5 of 6 maanvissen bij 10 of 12 discusvissen.

Een gezonde discusvis laat zich overigens niet zo snel de kaas van zijn brood eten en trekt zich er ook weinig van aan als de maanvissen een beetje druk doen of aan het baljaren zijn. Als u kiest voor de altum dan is er helemaal geen probleem (behalve met de porte monnaie). Toch moet ik toch zeggen dat de altum over het algemeen geen gemakkelijk dier is om te houden. Hier moet je wel een beetje ervaren aquariaan voor zijn. En je moet ze ook niet in gewoon leidingwater houden maar dat geldt ook voor de discusvis. Het kán wel maar de vis voelt zich er toch niet echt prettig in en zal niet zijn volle pracht laten zien.

Het grote probleem met de maanvis is dat er steeds minder soortechte vissen te koop zijn. Zoals moeder natuur ze maakt zo zijn ze er bijna niet meer. Het is allemaal sluierstaart, marmer, met diamantspikkels en goud- en rookkleurig wat de klok slaat. Maar ja, met de discusvis is het al niet veel anders gesteld. Ik probeer het gezicht van die indianen in het Amazonegebied wel eens voor de geest te halen dat ze zouden trekken als ze b.v. een Pidgeon blood in hun netten zouden krijgen!

Zo hoop ik wat op papier te hebben gezet wat uw liefde voor deze vis doet toenemen. Ik heb ze al jaren en het blijven bijzonder fascinerende dieren welke dan wel niet de keizer zijn van het Amazonegebied maar dan toch in ieder geval wél de koning. En dat is toch ook niet slecht!

Kortom het is een prachtige onderdaan voor onze favoriete Discus, de keizer van het Amazonegebied. Probeer het er maar eens mee! Tot de volgende vis!