Pronkjuweel

Vereniging voor aquaria en meer

Het Peter Bus archief

 

Vissennieuws

Plantenvaria

Overige

Het Peter Bus archief

Deze 160 artikelen mogen gebruikt worden, mits “Peter Bus, AV Pronkjuweel” vermeld wordt.

Vissennieuws - de Karperzalmen

Peter Bus, AV Pronkjuweel

De Karperzalmen vormen één van de grootste vissen families op aarde. Er zijn ongeveer 1400 soorten bekend, maar door ontdekkingen wordt dit elk jaar groter. Ze komen in alle soorten water voor.

De karperzalmen

Een opvallend kenmerk is dat deze vissen tanden bezitten, meestal 3, zelden minder. Enkele soorten van deze orde hebben hun tanden zo groot dat zij de bek niet meer dicht kunnen krijgen, onder andere de Piranha.
Een kenmerkende lichaamsvorm hebben ze niet. Sommige Hemigrammus of Hyphessobrycon soorten zijn lang en zeer slank, terwijl bijvoorbeeld het geslacht Metynnis een schotelvorm heeft. Ook hebben vele van deze orde een vetvin (huidplooi), welke zich tussen de rug- en staatvin bevindt. De vinnen zijn meestal betrekkelijk klein, de aarsvin is meestal langer dan de rugvin. Ook hebben vele soorten verlengde vinnen, zoals de Hyphessobrycon erythrostigma (bloedvlektetra). Daarbij valt op, dat zeer vele soorten nog een donkere streep op de staartwortel of een schoudervlek hebben.
De meeste soorten komen uit Noord- en Zuid Amerika, terwijl uit Afrika maar betrekkelijk weinig zalmsoorten komen. Natuurlijk geeft de Amazône de meeste vindplaatsen.

Het is daarom duidelijk dat deze vissen van zacht- en zuurstofrijk en beplant water houden. Ze schuwen de open plekken niet, maar bij het geringste onraad zullen ze de beschermende plantengroei opzoeken. Bij velen doet een donkere bodemgrond de kleuren feller oplichten.
Karperzalmen geven de voorkeur aan niet te veel licht en zijn niet zo warmtebehoeftig als hun herkomst zou doen vermoeden. Ongeveer 24 graden Celsius en niet boven de 27 graden Celsius.

Als drijvend plantendek kan, om het licht wat te af te schermen, onder andere drijfplantjes gebruikt worden.

De Karperzalmen zijn in vele gevallen scholenvissen. U moet ze in schooltjes van 10 á 12 stuks in Uw aquarium houden, dit is natuurlijk afhankelijk van de grootte van Uw aquarium.

Voer:

De meeste Karperzalmen zijn in de natuur vleeseters, maar in het aquarium stellen ze niet zoveel eisen aan het menu. ze eten alles wat ze voorgeschoteld krijgen. Hun natuurlijke voedsel bestaat uit kleine waterinsecten en hun larven en tevens jong visbroed. Geef daarom zo veel mogelijk levend voer.
Dan is er nog een groep die van planten leeft. Het geslacht Metynnis houdt vooral van zachtbladige planten, onder andere Sagittaria en Vallisneria, terwijl de hardere planten, zoals Echinodorus en Crypto’s met rust gelaten worden. Voer deze vissen regelmatig met geweekt slablad of andere groenten bij, als men tenminste van zijn beplante bak wil blijven genieten.
De vleesetende Piranha zult u moeten voeren met rauw vlees.
Dus samengevat houdt deze orde van een gevarieerd menu, met uitzondering van enkele geslachten, die alleen groente of vleesachtig voer behoeven.

Kweken:

Aan de hardheid van het water stelt deze orde geen bijzondere eisen, tenzij er mee gekweekt moet worden. Voor de kweek hebben enkele soorten zacht water nodig met een pH in het zwak zure gebied.
Voor we aan de kweek beginnen, zullen we aan enkele eisen moeten voldoen. Ten eerste moeten we een paartje hebben. Logisch zult U zeggen, maar het is bij de Karperzalmen nogal vaak voorgekomen, dat getracht wordt te kweken met 2 mannetjes of vrouwtjes in een bak. Jonge exemplaren zijn geheel niet te onderscheiden. Bij oudere dieren is er wat meer geslachtsonderscheid te zien. De vrouwtjes hebben een dikkere buik.
Voor het kweken doet U er goed aan een stuk of 10 vissen te kopen, liefst nog bij verschillende handelaren in verband met het gevaar voor inteelt. Tijdens het opgroeien zult U zien, dat 2 exemplaren wat meer naar elkaar toetrekken. Zet deze 2 dan apart in een kweekbakje.

De meeste Karperzalmen zijn vrijleggers, de eitjes, die ze afzetten zijn kleverig en hechten aan bladeren of vallen op de bodem.
Vrijleggen wil zeggen, dat de vissen niet persé tussen planten of op substraat afzetten, maar zich op enige hoogte van de bodem zijdelings tegen elkaar drukken, waarbij de eieren en het homvocht worden uitgestoten.
De enige belangstelling, die ze na het afzetten nog hebben voor de eieren is om ze te consumeren. Gebruik daarom een afzetrooster of grove kiezel waar de eitjes tussen kunnen vallen, zonder dat de ouderdieren er bij kunnen komen. Dit is zeker aan te bevelen als de afzetting geschiedt tijdens Uw afwezigheid.
De kweekbak hoeft niet echt groot te zijn, 40 x 25 x 25 cm is al groot genoeg. De kweek is normaliter niet zo moeilijk, maar kan bij sommige soorten moeilijk zijn vanwege de watersamenstelling. Denk hierbij aan de Paracheidon axelrodi (Kardinaaltetra). Voor deze moeilijke soorten kan ook de rust om de bak van belang zijn. De kweekbak voor het in gebruik nemen goed reinigen. De zijruiten met zwart papier afdekken, ook ongewenst licht blijft dan buiten de kweekbak. Het water kan bijvoorbeeld regenwater zijn, wat over turf gefilterd wordt. Dit water brengt men dan op 27 graden Celsius. Na enkele dagen controleert U de samenstelling van het water en brengt dan het kweekstel in de bak. Als U dit ’s avonds doet, hebben de vissen de tijd te wennen aan de nieuwe omgeving. U denkt dan de bak af en vaak begint het afzetten de volgende morgen, wanneer er iets licht in de bak valt. Zodra de vissen geen interesse meer in elkaar hebben, verwijdert U het kweekstel en laat de bak afgedekt minimaal 24 uur staan. Voor sommige soorten kan het meerdere dagen duren, voordat de larfjes aan de ruiten hangen, of vrij gaan zwemmen. Dit kunt U controleren door onverwacht een zwak straaltje licht in de bak te laten schijnen. De jongen duiken dan direct naar de bodem.

Zodra ze vrij zwemmen, begint U voorzichtig te voeren met onder andere Liquifry, gevolgd door pekelkreeftjes en fijn opfokvoer. Vooral voorzichtig voeren en een fijne luchtstroom laten circuleren.
Na enkele weken zet U de jonge vissen over in een uitzwemmer, zodat de groei niet belemmerd wordt.
Hoewel het bij de meeste Karperzalmen op bovenstaande manier zal lukken, zijn er natuurlijk ook uitzonderingen. Deze zijn echter in elk goed kweekboek te vinden. Begin daarom eens met een gemakkelijke soort en leg Uw ervaringen vast in een kweekverslag. Het zal heus wel eens mislukken, maar geef dan de moed niet op.
Stuur Uw kweekverslag dan eens op naar de redactie, zodat het gepubliceerd kan worden in “De Uitstromer”.