Pronkjuweel

Vereniging voor aquaria en meer

Het Peter Bus archief

 

Vissennieuws

Plantenvaria

Overige

Het Peter Bus archief

Deze 160 artikelen mogen gebruikt worden, mits “Peter Bus, AV Pronkjuweel” vermeld wordt.

Vissennieuws - Barbus conchonius

Peter Bus, AV Pronkjuweel

Deze vis wordt in het Nederlands Prachtbarbeel genoemd. Een voor die tijd ideale vis kwam in 1903 voor het eerst in het bezit van slechts enkele van de toen nog sporadische aquariumliefhebbers.

Barbus conchonius

Door zijn gemakkelijk wijze van voortplanting was deze Prachtbarbeel al spoedig wijd en zijd onder het steeds groeiende aantal aquariumliefhebbers verspreid en hij behoorde dan ook tot de algemeen geliefde vissen. Dat was overigens geen wonder, want niet alleen bezit de Barbus Conchonius mooie, opvallende kleuren, doch ook stelt hij bijzonder weinig eisen. Hij is gemakkelijk met voederen, groot te brengen, het geslachtsonderscheid is gemakkelijk vast te stellen en hij is gemakkelijk tot voortplanting te brengen. Verder is hij zeer levendig en verdraagzaam. Toch mag men uit deze verdraagzaamheid niet opmaken dat deze barbeel maar in ieder gezelschapsaquarium past. Kleine en schuwe vissen kruipen vaak weg voor deze robuuste ravotgrage rakkers en dat zal een van de oorzaken zijn, dat de Indische Prachtbarbeel in de bakken van de meeste liefhebbers momenteel nog slechts betrekkelijk weinig voorkomt. Bovendien wordt hij sinds de dertiger jaren verdrongen door de regelmatige importen van kleinere aquariumvissen, die zo langzamerhand alle grotere soorten uit de aquaria hebben verdreven.

Voor de beginners en voor degenen, die nog nooit een barbussoort hebben verzorgd, is het nog steeds een uitermate geschikte vis om er mee te beginnen. Het is een vis waar niemand moeite mee kan hebben. De Barbus conchonius is zelfs zo sterk gebleken, dat hij de gevolgen van de oorlogsmisère, met de daaraan verbonden, vaak slechte voedering en soms geheel ontbrekende verwarming, zonder zichtbare gevolgen te boven is gekomen.

Het vaderland van de Indische Prachtbarbeel moeten we in Voor- en Achter- India zoeken. Voornamelijk treffen wij hem aan in vijvers, poelen, beken en riviertjes in het stroomgebied van de rivieren de Ganges en de Brahmapoetra; in de landstreken van Bengalen en Assam dus. Alleen over deze laatste vindplaats zijn ons enkele gegevens bekend geworden door Navalkar. Zo werd bij Poona naast de Barbus conchonius onder meer buitgemaakt: Danio malabaricus, Rasbora daniconius, Barbus chola, Barbus ticto, Barbus vittatus en Chanda lalla. Aan planten werd hier gevonden: Salvincia (Natans?), Helieochris acicularis, Certophyllum demersum, Elodea densa, Vallisneria, Waterlelies en Cryptocorynen.

Verzorging

De Barbus conchonius heeft als aquariumvis goede eigenschappen. Het enige dat men op hem tegen zou kunnen hebben, is het genoegen dat hij er in schept om op de bodem tussen het vuil rond te neuzen op zoek naar iets eetbaars. Het is een echte bodemafschuimer die, als zoveel barbelen, zijn kostje opscharrelt in de laagste regionen van het aquarium.

Niet altijd gaat hij daarbij voorzichtig te werk en de gevolgen kunnen stofopdwarreling zijn, die de planten binnen korte tijd een minder fris aanzien geven. Nu zou men de Prachtbarbeel kunnen gaan houden in een aquarium met een kraakheldere bodem, maar gezien zijn voorkeur voor het afzoeken van de bodem, is het begrijpelijk dat hij daarin niet al te best zal kunnen aarden. Verder zal men er bij de inrichting van het aquarium rekening mee moeten houden, dat de Prachtbarbeel graag tezamen met meerder soortgenoten leeft. Heeft men vijf of zes stuks in de bak, dan zal het, zolang er licht in de bak valt, een spelen van jewelste zijn. Dan weer eens een koppeltje, dan weer enkele mannetjes of het geheel groepje tezamen, zullen elkaar als dwazen nazitten en om elkaar heen tollen.

Om het bezwaar van het opdwarrelen van stof op te heffen en toch te profiteren van het effect dat een donker gekleurde bodem op de kleurengloed van de dieren heeft, zal men dus met enig overleg te werk moeten gaan. Allereerst dient er een flinke speelruimte te worden vrijgehouden. De bodem hiervan zou men het best kunnen bedekken met fijn geklopte lavasteen of anders met niet te kleine brokjes goed uitgespoelde turf. De speelruimte wordt afgezoomd met een grillig gevormd muurtje van brokken lavasteen en daarachter ligt de iets verzonken bodemgrond, afgedekt met goed uitgeplozen en uitgespoelde lange turf. Het gedeelte achter de stenen wordt flink beplant met grof- of lintbladerige planten, die hier en daar tot flinke bossen worden verenigd. Hiertussen zullen de vissen zich zo nu en dan graag eens terugtrekken. Het opdwarrelen van stof en de nadelige gevolgen hiervan zal men hiermede tot een minimum kunnen beperken.

De fors gebouwde, tot circa 7 cm groot wordende dieren, zijn wel het mooist tijdens hun immer boeiende spel en wel in het bijzonder als het zonlicht recht van boven in de bak kan vallen. De olijfgroene tot donkerolijfbruine rug, de zilverglanzende flanken en de witachtige buik zijn dan met een rozerode gloed overgoten en ieder van de tamelijk grote schubben lijkt een donker omzoomd, fonkelend diamantje. Op het achterlichaam, boven de laatste stralen van de aarsvin, steekt duidelijk de diepzwarte, goudomrande, erwtgrote vlek af. Over het algemeen zijn de mannetjes feller en meer gekleurd dan de vrouwtjes. Een duidelijk geslachtsonderscheid vormt, buiten de brede buik, ook nog de kleurtekening van de vissen. Rug-, aars- en buikvinnen van de mannetjes zijn oranjerood getint en eindigen in donker tot zwart gekleurde spitsen. Van de Barbus conchonius kan men lang plezier hebben. Bij een goede verzorging bereiken zij niet zelden de leeftijd van vijf tot zes jaar.

Kweek

Ook bij de voortplanting is de Barbus conchonius een buitengewoon vis. De grootste moeilijkheid die men bij de kweek heeft, is wel het voorkomen van eieren eten. Goede, afwisselende voedering voordien is wel één van de meest afdoende voorzorgsmaatregelen. Bij de voedering mag vooral niet het geven van plantaardige kost worden verzuimd. Van tijd tot tijd hebben ze dit nodig en wanneer dit niet voldoende aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van algen, zullen zij, zeer tot het ongenoegen van hun verzorgers, zich gaan vergrijpen aan de jonge, malse koppen van de waterplanten. Om de samenstelling van het water blijken zij zich in het geheel niet te bekommeren. Ook de temperatuur speelt in hun leven geen al te grote rol. Het best voelen zij zich bij een temperatuur van 20 tot 22 graden Celsius, doch een temperatuur van 12 graden Celsius kunnen zo ook nog goed verdragen. De Prachtbarbeel kan dan ook ’s zomers heel goed in een vijver tot voortplanting overgaan, maar normaal kweken we de Prachtbarbeel in een aquarium van betrekkelijk kleine afmetingen. Maar het is we zo, dat hoe groter de bak is, des te beter zullen bij deze vrijleggers de resultaten zijn. Zij vragen nu eenmaal de ruimte om zich te kunnen uitleven en dat geldt zowel voor hun gewone onderkomen als voor het kweekaquarium.

In verband met de geliefkoosde bezigheid van eieren eten is het noodzakelijk de bodem zodanig af te dekken, dat de eieren zoveel mogelijk worden beschermd. Hiervoor kunnen planten, uitgeplozen turf of grove kiezels worden gebruikt. De kweektemperatuur behoeft slechts enkele graden boven de normale te liggen. Meestal begint de paring in de vroege ochtenduren, wanneer het eerste licht, en dan nog liefst zonlicht, in de bak valt. Vrouw en man jagen elkaar langdurig na, waarbij de laatste zijn eega in de richting van het groen drijft. Daarin worden per paring een twintigtal grote, glasheldere en kleverige eitjes afgezet. In totaal kunnen een 5 tot 800-tal eieren worden afgezet die na 28 tot 36 uur uitkomen.

Het grootbrengen van de jongen brengt - hoe kan het ook bij dit gemakkelijke visje – al even weinig moeilijkheden met zich mee. Na een korte infusieperiode kunnen zij reeds gezeefde daphnia′s aan.